Anderhalf jaar geleden had ik het voorrecht een bescheiden rol te spelen in een verkiezingscampagne voor het burgemeesterschap in een stadje in het noordoosten van Brazilië. Bijna elke avond vonden bijeenkomsten plaats waarop politici zich met vuur en vlam presenteerden aan de bevolking die van heinde en verre was toegestroomd. Om het enthousiasme voor een kandidaat kracht bij te zetten, werden careatas gehouden, immense colonnes van alles wat kon rijden. Organiseerde de tegenpartij een careata met vijfhonderd auto’s, bussen, vrachtwagens en motorfietsen – wij overtroffen het een avond later met meer dan zeshonderd vehikels van waaruit we niet ophielden te claxonneren, de naam van onze favoriet te scanderen en met vlaggen te wapperen.
Als me van die periode iets is bijgebleven, dan het enthousiasme waarmee we de democratie vierden. Los van de ideeën van onze kandidaat gíng het ergens over. Tegelijk speelde de gedachte door mijn hoofd wat wij daarvan kunnen leren. Waarom zetten opkomstpercentages in Europa en Nederland vaak slechts met de hakken over de sloot zoden aan de dijk, terwijl ons stemrecht naar verluidt toch behoort tot ons kostbaarste bezit? Heeft het te maken met ons korte geheugen? Met het feit dat het niet lang meer duurt, of de laatsten die de laatste wereldoorlog beleefden, zijn niet meer onder ons?
In Brazilië lijkt men nog te beseffen wat men te verliezen heeft. De dictatuur die er vanachter de schermen door de Verenigde Staten van Amerika werd gedicteerd, heeft er weliswaar niet zulke diepe sporen achtergelaten als in Chili of Argentinië. Maar toch. Begin jaren tachtig stelden vooraanstaande katholieken het document Brasil Nunca Mais (‘Brazilië, nooit meer’) samen, waarin is te lezen hoe de CIA de landelijke geheime dienst les gaf in het verhoren van verdachten, zodanig dat waterboarden ineens lijkt op pesten met een waterpistool. Populair was bijvoorbeeld de garrafa, het met een gebroken flessenhals penetreren van lijfelijke openingen. Kortom, menigeen herinnert zich de opwinding toen het land in 1985 na meer dan twintig jaar repressie weer een democratisch gekozen president kreeg.
Misschien is dit de les die jonge democratieën ons kunnen leren: namelijk dat we niet mogen verzaken om van het uitoefenen van de democratische verworvenheid een feest te maken. Het gaat niet om de kwestie stemrecht of stemplicht. Het gaat er om dat elk land het opkomstpercentage krijgt dat het verdient. Niet opdat we bij lage percentages de politici de schuld kunnen geven, daarmee het dreigende failliet van het bestel in de schoenen schuivend van teveel saaiheid of te weinig charisma. Maar opdat we beseffen dat wíjzelf het zijn die er een feestelijke ceremonie van moeten maken. De gang naar de stembus zou een liturgische daad mogen zijn, een viering in de diepe betekenis van het woord, het uitoefenen van een recht dat wordt beleefd als een vreugdevolle plicht. Door te stemmen vieren we dat we als volk, bij alle verschil van opinie, één zijn. Eén in de bereikte vrijheid. Eén in het voorrecht zelf onze mening te kunnen vormen.
Helaas echter zijn we onvoldoende één in het besef dat er altijd wolven in schaapskleren in de buurt zijn die het gemunt hebben op mensen die hun angst voor de vrijheid camoufleren door te schreeuwen dat ze kiezen vóór de vrijheid. Dat besef is slechts te bereiken door mensen van jongs af aan te leren hun vrijheid creatief en verantwoord te gebruiken. Hoe? Door ze mondigheid bij te brengen– hoe hol deze woorden ook dreigen te klinken. Dat we er steeds minder in slagen onze fundamentele overtuigingen overtuigend op elkaar over te brengen, dreigt onze tragiek te worden. Het eigenlijke probleem van onze tijd is een motivatielek. Dat het zover heeft kunnen komen, is ernstiger dan de economische crisis. Het is tijd dat zich een parlementaire onderzoekscommissie buigt over de vraag hoe we van onze democratie weer een waarachtig feest kunnen maken dat bijdraagt aan een duurzame praktijk van vrijheid, gelijkheid, en wellicht ook broederschap. Titelsuggestie voor hun rapportage: ‘Nederland, dát toch hopelijk nooit meer!’
Govert Derix is filosoof en schrijver van het boek Holofaust
Op de foto, van rechts naar links: Décio Munhoz, toen kandidaat burgemeester en intussen actueel burgemeester van Cascavél (Ceará), federaal minister José Pimentel (van de regering Lula) en Govert Derix.